Anne Jonkman over jongerenparticipatie
In veel van onze projecten gaat het over de toekomst van een buurt, wijk, dorp of stad. Over woningen, pleinen, parken, routes, voorzieningen, ontmoetingsplekken en openbare ruimte. Precies de plekken waar jongeren wonen, naar school gaan, sporten, werken, rondhangen of elkaar ontmoeten.
Toch zitten jongeren lang niet altijd aan tafel. Niet omdat we ze niet belangrijk vinden. En ook niet omdat jongeren niets te zeggen hebben. Vaak komt het doordat jongerenparticipatie voelt als iets groots: een apart traject, contact met scholen of jongerenwerkers, creatieve werkvormen, nieuwe kanalen, extra tijd of extra budget.
Maar jongerenparticipatie hoeft niet altijd groot te beginnen. Soms begint het met één simpele vraag aan het begin van een project: Raken we met dit project jongeren? En zo ja: hoe zorgen we dat we hen op tijd en op een passende manier betrekken?
Wie bedoelen we met jongeren?
In participatieprojecten is het handig om onderscheid te maken tussen verschillende levensfasen:
12 tot 15 jaar: jonge tieners
Vaak goed te bereiken via school, sportclub, jongerenwerk of plekken in de buurt. Vragen moeten concreet en dichtbij zijn.
16 tot 18 jaar: oudere tieners
Zelfstandiger, mobieler en vaak goed in staat om mee te denken over veiligheid, routes, vrije tijd, ontmoeten en voorzieningen. Korte en duidelijke vormen werken goed.
18 tot 29 jaar: jongvolwassenen
Een diverse groep: studenten, starters, werkende jongeren, jonge ouders en thuiswonende jongeren. Vaak geraakt door thema’s als betaalbaar wonen, bereikbaarheid, voorzieningen, duurzaamheid en toekomstplannen.
Bij sommige projecten, bijvoorbeeld rond starterswoningen, kan ook de groep tot 35 jaar relevant zijn.
“Moeilijk bereikbaar” betekent niet onbereikbaar
Een informatieavond om 19.30 uur in het gemeentehuis is voor veel jongeren geen logische en vertrouwde plek. Bovendien vraagt zo’n avond dat zij tijd vrijmaken, terwijl ze overdag vaak naar school of studie gaan en ’s avonds bijvoorbeeld huiswerk, sport, een bijbaan of sociale afspraken hebben. Een lange vragenlijst voelt al snel abstract. En een uitnodiging via een gemeentelijke website, bewonersbrief of buurtkrant komt vaak niet bij hen terecht.
Bij gemeenten vallen jongeren al snel onder de noemer “moeilijk bereikbare doelgroepen”. Zeker bij abstracte onderwerpen, zoals een omgevingsvisie. Jongeren voelen zich dan niet altijd direct aangesproken. Toch betekent “moeilijk bereikbaar” niet dat jongeren onbereikbaar zijn.
Vaak zijn er al ingangen. Grotere gemeenten hebben soms een jongerenpanel, jongerenraad of jeugdadviesraad. Andere gemeenten hebben goede contacten met scholen, mbo’s, studentenverenigingen, sportclubs, jongerenwerkers, buurtsportcoaches of welzijnsorganisaties.
Voor woningcorporaties zijn er vaak weer andere ingangen: via wijkbeheerders, huismeesters, woonconsulenten, jonge huurders, buurtkamers of bewonersactiviteiten. Ook bewonerscommissies kunnen helpen om jongeren in een complex of buurt te vinden. Voor commerciële ontwikkelaars is die afstand vaak groter. Juist daarom is samenwerking nodig. Niet zelf een nieuw jongerennetwerk optuigen, maar aansluiten bij partijen die jongeren al kennen: zoals de gemeente, een corporatie, school, sportclub, jongerenwerk of lokale ondernemers.
Juist daarom is het slim om niet meteen zelf een nieuwe route te bedenken, maar eerst te vragen: welke jongerennetwerken bestaan er al? En: wie heeft al vertrouwen of contact met jongeren?
Sluit aan bij hun leefwereld en praat in gedeelde taal
Bij jongerenparticipatie is het verleidelijk om te denken in generatie-eigenschappen. Bijvoorbeeld: jongeren zijn digitaal, snel, visueel en kritisch. Daar zit iets in, maar het is te algemeen. Niet alle jongeren gebruiken dezelfde kanalen, hebben dezelfde interesses of voelen zich op dezelfde manier aangesproken. Het is daarom beter om te kijken naar hun leefwereld en levensfase.
Voor jongeren wordt een project pas interessant als de link met hun dagelijks leven duidelijk is. Een omgevingsvisie, gebiedsontwikkeling of mobiliteitsplan klinkt abstract. Maar vragen over fijne plekken, veiligheid, routes naar school, sport, uitgaan, betaalbaar wonen of ruimte om vrienden te ontmoeten zijn wél herkenbaar. Ze weten waar het onveilig voelt. Waar je fijn kunt zitten. Welke routes logisch zijn. Waar je wel of niet welkom lijkt. Welke plekken saai zijn. En wat een buurt aantrekkelijk maakt voor jongeren die er nu wonen, of er later misschien willen wonen.
Dus niet:
– Wat vind jij belangrijk voor de toekomst van onze gemeente?
Maar bijvoorbeeld:
– Waar ben jij graag in je buurt?
– Welke plek kan beter?
– Waar voel je je niet prettig?
– Wat mis je als je hier later wilt blijven wonen?
– Hoe reis je naar school, werk, sport of vrienden?
De jongerencheck
We hoeven niet bij elk project meteen een groot jongerenparticipatietraject op te tuigen. Maar we kunnen wél bij elk project een korte jongerencheck doen. Gewoon aan het begin, bij de offerte, omgevingssessie of participatieaanpak.
- Raken we jongeren met dit project?
Gaat het over wonen, openbare ruimte, sport, mobiliteit, veiligheid, voorzieningen, klimaat, centrumontwikkeling of de toekomst van een gebied? Dan is de kans groot dat jongeren een relevante doelgroep zijn. - Welke jongeren bedoelen we precies?
Een scholier van 13, een mbo-student van 17, een jonge woningzoekende van 24 en een jonge ouder van 29 hebben andere belangen, routines en manieren van meedoen. - Welke ingangen bestaan er al?
Heeft de gemeente een jongerenpanel, jongerenraad of jeugdadviesraad? Zijn er contacten met scholen, mbo’s, studentenverenigingen, sportclubs, jongerenwerkers of buurtsportcoaches? Begin niet bij nul als er al een netwerk is, zij weten waar jongeren behoeften aan hebben. - Waar zijn deze jongeren al?
Denk niet meteen: hoe krijgen we ze naar onze bijeenkomst? Denk eerst: waar kunnen wij hen ontmoeten? - Waar kunnen ze echt invloed op hebben?
Maak het klein en concreet. Kunnen jongeren iets zeggen over routes, sfeer, gebruik van een plein, sport- en speelplekken, groen, veiligheid, communicatie of programmering? Wees ook eerlijk over wat al vastligt. - Welke concrete vragen kunnen we voorleggen?
Stel één concrete microvraag. Niet: “Wat vind je van de gebiedsontwikkeling?” Maar: “Welke plek gebruik jij graag?” “Waar voel je je niet prettig?” “Wat mis je in deze buurt?” Een kleine vraag levert vaak betere input op dan een groot abstract gesprek. - Hoe koppelen we terug?
Jongerenparticipatie stopt niet na het ophalen van input. Jongeren hebben een sterke behoefte aan het nakomen van beloften. Laat kort zien wat je hebt gehoord en wat ermee gebeurt. Bijvoorbeeld met een poster, story, korte video, bericht via school of simpel overzicht: “Dit hoorden we. Dit nemen we mee. Dit kan helaas niet, omdat…”
Een kleine gewoonte met groot effect
Dus voordat we een omgevingssessie of participatieaanpak afronden, stellen we onszelf één vraag:
Hebben we al gecheckt of jongeren een relevante doelgroep zijn?
En als het antwoord ja is, volgt meteen de tweede vraag:
Wat is de kleinste stap die we nu kunnen zetten om hun perspectief mee te nemen?